Zwart op Wit

13 08 2013

sterrenNa Max Euwe en Jan Timman was Paul van der Sterren de Nederlandse schaker die het verste kwam in de kandidatenmatches. De Limburger werd twee keer Nederlands kampioen en vertegenwoordigde ons land regelmatig op de Schaakolympiade. Toch heeft hij nooit de status van Donner of Timman verworven.

Over zijn leven als schaker heeft heeft Van der Sterren een biografie geschreven met als titel ‘Zwart op Wit.’ Uitgangspunt voor het kloeke boekwerk van meer dan 500 bladzijden vormt het archief met 3.000 partijen. Wat had ik deze twee kilo zware stoeptegel graag op een tablet gelezen, maar dit geheel terzijde. De schrijver heeft geen uitputtende analyses gemaakt, maar gebruikte een selectie van de partijen om zijn chronologische verhaal te ondersteunen.

Kort na zijn studie rechten in Amsterdam besloot Van der Sterren van schaken zijn beroep te maken. Dat ging niet zonder slag of stoot. Hij stond niet direct bekend als een supertalent, eerder als een noeste werker met een gezonde aanleg voor schaken. Om in zijn onderhoud te voorzien nam hij deel aan lucratieve weekendtoernooitjes, serieuze invitatietoernooien en de clubcompetitie. Verder leverde hij bijdragen aan tijdschriften, schreef boeken en gaf zo nu en dan een simultaan.

Zwart op Wit is een indringend psychologisch portret geworden, waarbij alle facetten die bij het schaken als beroep een rol spelen, worden uitgediept. De schrijver spaart zichzelf niet en toont openlijk z’n zwakke kanten. Aanvankelijk zag hij teveel op tegen topspelers. Gedurende z’n gehele carrière had hij last van spanning en stress. Een ander probleem was zijn faalangst en het misgrijpen op de beslissende momenten. Dat Van der Sterren niet eerder de pijp aan maarten gaf en nog zover gekomen is mag een wondertje heten. Karakter, keihard werken en doorzettingsvermogen hebben van hem toch een topschaker gemaakt, die op 33 jarige leeftijd de grootmeester titel in de wacht sleepte.

Het boek is niet alleen interessant voor schakers, maar ook voor dammers, bridgers, sporters en voor iedereen die graag een levensverhaal leest. Dat Van der Sterren over een uitstekende schrijfstijl beschikt is mooi meegenomen. Over de partij tegen John van der Wiel, waarin hij de nationale titel verspeelt schrijft hij:

Er is veel sympathie voor me na het zeldzaam wrede slot van deze partij. Toch kan ik me niet herinneren dat ik er, in laten we zeggen mijn ” waakbewustzijn “, zo vreselijk onder geleden heb. Overdag sluit je geest zich blijkbaar af voor dingen die te groot en te erg zijn om te bevatten. Maar ’s nachts komen ze zo nu en dan wel aan de oppervlakte en natuurlijk zijn ze ondertussen ongezien bezig om ergens diep in je ziel hun stempel te zetten”.      

Op 45-jarige leeftijd zet Van der Sterren een punt achter zijn actieve loopbaan als topschaker. De accu is leeg en het lijkt bijna een verlossing…

Advertenties




Chapeau voor Ventoux

3 07 2013

Ventoux

Ventoux

Je ziet ze veel, mannen van boven de veertig in strakke wielerkleding met een helm op het kalende hoofd. Rijdend op een lichtgewicht fiets, met een iets te breed achterwerk en in hun hoofd de gedachte dat ze eerder hadden moeten beginnen dan had het nog iets kunnen worden met dat fietsen. Wielrennen, de verlate droom.

Jaren geleden bezat ik een oranje racefiets, geen idee van welk merk. Nadat ik het rijwiel zes dagen in bezit had werd er vanuit Rinke’s Koffiebar in Sneek een tijdrit georganiseerd over de smalle weg bij de Potten. Hans B., de betere sportman, bezat als altijd meer dan genoeg zelfvertrouwen om met mij een weddenschap aan te gaan om de snelste tijd. Inleg 10 gulden. De ochtend van de tijdrit was het de tweede keer dat ik op m’n oranje fiets zat, toen nog gewoon in een voetbalbroekje. De eerste keer worstelde ik met de versnelling, de tijdrit begon ik daarom in het zwaarste verzet, hoefde ik daar niet mee bezig. Zes kilometer verder ik was 10 gulden en droge worst rijker. De worst was voor de zesde plaats en voor Hans als troost, want droge worst is aan mij niet besteed. Hans kom ik zo nu en dan weer tegen en veel lijkt er niet veranderd op zo’n moment.

Ventoux van Bert Wagendorp gaat over vriendschap en wielrennen. Een boek dat je terugbrengt naar je eigen jeugd en feilloos vertelt waarom vriendschappen jaren later nog net zo helder zijn Alsof je op de fiets stapt en de jaren wegtrapt. Chapeau al is het eind een beetje te veel eind goed, al goed.





Chris Cleave’s goud

17 10 2012

Naar catalogus

Naar catalogus

Goud begint met een enerverende scène in de kleedkamer van het Olympische wielerstadion van Athene. Zoe en coach Thom wachten op het moment dat ze de finale sprint kan rijden. Door het gestamp van het enthousiaste publiek sijpelt kalk door de kieren in het plafond. De spanning voor de finale maakt Cleave voelbaar zonder dat we met Zoe de wielerbaan opgaan.

Na deze scène  springen we naar 2012 en maken we kennis met de hoofdpersonen. De gedreven en cynisch Zoe, haar vriendin en concurrent Kate en haar wielrennende echtgenoot Jack.

Met z’n drieën zitten ze vast in een driehoeksverhouding. Een driehoeksverhouding waarin professionele sport een belangrijke rol speelt en het verleden een schaduw werpt op de verstandhouding tussen de personages.

Spil van het verhaal is de dochter van Kate en Jack. Sophie is acht jaar en onder behandeling voor leukemie. Als Cleave vanuit haar perspectief schrijft, laat hij zien hoe goed hij is als schrijver. De tegenstelling tussen extreem gezonde topsporters en een doodziek kind wordt nergens sentimenteel door zijn strakke pen. Het verhaal is niet altijd even gemakkelijk door de perspectiefwisselingen, maar met Goud krijg je een boek waarin topsport en de gevolgen van een ernstige ziekte “prachtig” beschreven zijn.

Olympisch goud is het hoogst haalbare voor Zoe, Kate en Jack. Al relativeert Cleave in de woorden van Zoe wat dit goud waard is: “Mensen zien me op het podium staan en ze denken dat ze glorie zien, maar het enige wat ze zien is die ene glanzende minuut waarin ik uit de troep die ik gemaakt heb ben verrezen om daar te komen.” 

Eerder zijn Kleine Bij en Licht ontvlambaar op dit blog beschreven.





Een workaholic in het kwadraat

6 08 2012

Het scheelde niet veel of de carrière van Mart Smeets bij de NOS was voortijdig afgelopen. Hij zou de anchorman worden bij de Olympische Spelen in Los Angeles in 1984. Vlak voor de Spelen werd hij door Ischa Meijer van Vrij Nederland geinterviewd. Smeets nam geen blad voor de mond, haalde de bezem door de leiding van de NOS en werd op non-actief gesteld.

In de biografie ‘Mart Smeets’ krijgen we een goed beeld van het werkzame leven van de gevierde sportjournalist. Van jongs af aan is sport de grote passie van Smeets en hij onthoudt vrijwel alles wat hij erover leest. De interesse voor de lesstof op de middelbare school is een stuk minder en hij doet negen jaar over de HBS. Als verzachtende omstandigheid voert de jonge Smeets aan dat hij wel met de lerares Engels naar bed is geweest, wat op geen enkel rapport terug te vinden is. Als 15-jarige behoort hij al tot de nationale basketbaltop, maar wegens een slopende achillespeesblessure moet hij zijn interlandcarrière al op zijn 25 ste jaar stop zetten.

Het presenteren zit Smeets in het bloed en voor de camera voelt hij zich op zijn gemak. Hij groeit uit tot het boegbeeld van Studio Sport en wordt ook door zijn collega’s beschouwd als de beste in zijn vak. Daarnaast verschijnen er elk jaar twee boekjes van zijn hand en maakt hij mooie documentaires. Zijn werk is zijn leven en hij ontwikkeld zich tot een workaholic in het kwadraat. Door vriend en vijand wordt hij geroemd om zijn professionaliteit en ook zijn kwaliteiten als charmante en vrijgevige gastheer blijven niet onopgemerkt.
De scheiding van zij vrouw Willemien, waarbij levensgenieter Smeets ook twee jonge kinderen achterlaat, beschouwt hij als de grootste nederlaag uit zijn leven. Dit is geen plichtmatig praatje, want blijkens een interview dertig jaar na dato blijkt dat het nog steeds diep zit. Hier maken we kennis met de gevoelige kant van de hoofdpersoon.

In het boek komt ook een andere kant van Mart Smeets naar boven. Mart kan onaangenaam uit de hoek komen, is soms narrig en kortaf. Tot vlak voor de uitzending iedereen afbekken en vervolgens volkomen relaxed de beeldbuis in de huiskamer vullen is daar een voorbeeld van.

Kees Suys heeft het allemaal op een vlotte en warme manier opgeschreven. Mart Smeets is de beste en blijft in dit boek ondanks z’n grilligheid en aandachtrekkerij, fier overeind. Een aanrader.





Het fenomeen ‘Gijp’

23 07 2012


Als vaste gast van het praatprogramma ‘Voetbal International’ is René van der Gijp uitgegroeid tot een mediafenomeen. Hij werd vorig jaar zelfs genomineerd voor de Televizier Talant Award. Tijdens het EK voetbal zat de dertien-voudig international drie weken lang aan tafel bij VI-Oranje. In die periode logeerde hij in de Koninklijke Suite van het Kurhaus hotel. Met afstand de grootste kamer die meestal wordt betrokken door presidenten, staatshoofden en andere hooggeplaatste personen.
Over deze Van der Gijp is een biografie verschenen met de eenvoudige titel Gijp.Schrijver Michiel van Egmond geeft een schets van een geboren zondagskind. Met aandacht voor zijn spelerscarrière, zijn jeugd, zijn televisieloopbaan en zijn levensvisie. De schrijver leunt bij het samenstellen van dit boek voor een belangrijk deel op het programma VI, waarvan hij eindredacteur is. Ook komen collega’s en vrienden aan het woord.

Gijp doet het goed in het lezingencircuit en op de verrekijk. Hij heeft de lach aan z’n kont hangen. Anekdotes, mooie verhalen en kleedkamergrappen, hij schudt ze uit zijn mouw. Natuurlijk wordt de werkelijkheid hier en daar opgerekt.
Vrolijk wordt hij van hele kleine dingetjes: uitsmijtertje eten, een onverwachte terugspeelbal van Xavi of een vernietigende blik van Ibrahimovic. Zijn wensen gaan niet verder dan ’s ochtends opstaan en dan gewoon kunnen plassen.
Maar het is niet alleen vrolijkheid en lang leve de lol. Ook de andere kant van Van der Gijp wordt getoond. Hij kreeg vorig jaar een burn out, heeft soms angstaanvallen en lijdt aan een soort smetvrees.

Uit het boek komt naar voren dat Van der Gijp niet het maximale uit z’n carriere heeft gehaald. Hij was een begenadigd voetballer en had gemakkelijk honderd interlands kunnen spelen, maar de juiste instelling ontbrak.

Wat wel eens wordt vergeten is dat de voormalige rechtsbuiten veel verstand van voetbal heeft en een zeer scherp analyticus is. Een geboren verteller die het niet nodig heeft iemand te beledigen om overeind te blijven.
Heerlijk ongecompliceerd leesvoer voor op de bank.





De geest van het spel

23 04 2012


Wereldkampioen is Jan Timman nooit geworden. Als enige Nederlander bestijgt Max Euwe in 1939 de hoogste schaaktrede. Toch wordt Timman algemeen gezien als de grootste Nederlandse schaker ooit. De Russen Karpov en Kasparov waren een klasse apart, maar Timman werd beschouwd als ‘ The Best of the West’ en behoorde twintig jaar lang tot de absolute wereldtop.

In de biografie ‘De geest van het spel’ van John Kuipers wordt de unieke carriere van Jan Timman op meeslepende wijze beschreven. Het boek is ook een hommage aan de schaker, die bekend staat als een bon-vivant en met volle teugen van het leven geniet.

Na het stedelijk gymnasium van Amsterdam laat de jonge Timman de collegebanken links liggen en kiest voor een carrière als profschaker. Aanvankelijk reist hij met boezemvriend Hans Böhm in een busje door Europa om aan (snel)schaaktoernooitjes deel te nemen.
De ster van de jonge Amsterdamse grootmeester rijst snel en hij wordt door collega schakers geroemd om zijn openingsrepertoire, zijn strategisch inzicht en zijn eindspeltechniek. Over de hele wereld speelt hij invitatietoernooien, interzone toernooien en kandidatenmatches.
Hoogtepunt vormt de WK match van 1993 tegen Anatoli Karpov, die deels in Nederland en deels in Indonesië wordt gespeeld. Tot dat moment heeft hij zijn eeuwige rivaal 8 keer verslagen tegenover 28 nederlagen. Waar iedereen op hoopt lukt uiteindelijk niet. Timman wordt –definitief- geen wereldkampioen.

John Kuipers geeft in ‘De geest van het spel’ ook een mooi tijdsbeeld van de ‘60- er ‘70-er jaren van de vorige eeuw, waarbij de maatschappij aan grote veranderingen onderhevig was.
Timman is volgens de schrijver één van de laatste vertegenwoordigers van een generatie schaakromantici, waartoe ook Hein Donner behoorde.
Met de hedendaagse schaaktalenten heeft Timman volgens de schrijver weinig gemeen. Ze roken niet en houden evenmin van een goed glas. Met afgetrainde sportschoollichamen verschijnen ze aan het bord. Tijdens een toernooi een boom opzetten over de schrijver Dostojevski aan de bar van het hotel is er ook niet bij. Ze zitten op de hotelkamer achter hun laptop. De computer markeert misschien wel de overgang van schaken als levenhouding en schaken als professie.

John Kuipers maakt in de biografie veelvuldig gebruik van opmerkelijke citaten van grootmeesters. Ze zijn een welkome afwisseling op de vaak overvolle bladspiegel.

“ Ik trof in die jaren Hein Donner eens in de wandelgangenvan het IBM-toernooi. Hij liep daar met een sigaret, hield halt, nam nog een laatste trek en trapte toen zijn sigaret uit op het tapijt. Hij keek me daarbij veelbetekend aan. Dat vond ik heel goed, dat trok me heel erg aan. Ik stond stil, keek naar Donner en dacht: ja het is goed om beroepsschaker te zijn, dan doe je zulke dingen. Andere mensen doen dat niet”.

“Het is niet ongewoon dat schakersvrouwen tegen het einde van het toernooi in dure kledingzaken vertoeven: voorbereidingen worden getroffen om het prijzengeld in mode om te zetten“.

“Het liefst zou ik sterven als een gloeilamp, op respectabele leeftijd”.
(Jan Timman)

In het radioprogramma ‘Brands met boeken’ wordt de biografie uitgebreid besproken.
Naast de presentator zitten Jan Timman, Hans Böhm en de auteur van het boek aan tafel.





De kunst van het veldspel

19 03 2012

Naar catalogus

Naar catalogus

In De Wereld Draait Door bespraken een aantal weken geleden drie mannen met grijze haren hun favoriete sportboeken. Aanleiding was het boek De kunst van het veldspel. De heren, Matthijs van Nieuwkerk, Jan Donkers en Mart Smeets kraaiden van plezier over dit in hun ogen meesterwerk van debutant Chad Harbach, net als heel veel andere recensenten.

De sport waar het om draait in de boek is honkbal. Een sport waar je zo goed bent als je statistieken. Alles wat je doet op het veld lijkt te verdwijnen in een excel-bestand. Een sport waarin ogenschijnlijk zo weinig gebeurt als honkbal, is statistiek nodig om het wat interessanter te maken, denk ik dan.

Het verhaal speelt op een tweederangs universiteit in Wisconsin en draait om vijf personages. Tijdens een honkbalwedstrijd in het land ontdekt Mike Schwartz, aanvoerder van de honkbalploeg van Westish College, de 17-jarige Henry Skrimshander. Henry is een talent met een sierlijke intuïtie voor de bal. Vlak voor zijn doorbraak met het universiteitsteam laat zijn intuïtie hem in de steek. Hij begint na te denken en weet geen bal meer goed te vangen of te gooien. Voor het zover is hebben we kennis gemaakt met Owen, de homoseksuele kamer- en teamgenoot van Henry, hetero-rector Affenlight die tot zijn grote verbazing verliefd raakt op Owen. En als laatste zijn dochter Pella die haar huwelijk ontvlucht en weer wil studeren.

Honkbal zegt me niet zo veel en misschien is dat de reden dat ik wat moeizaam door het boek kwam terwijl het niet zozeer om de sport draait in het boek. Uiteindelijk is het vooral een boek over vriendschap, opoffering, opgroeien en natuurlijk de liefde. Het is wel typisch Amerikaans in zijn opofferingsgezindheid en optimisme.
Onder het lezen moest ik vaak denken aan Skippy tussen de sterren, een boek dat in een vergelijkbare kleine gemeenschap speelt en dezelfde thema’s heeft. Als De kunst van het veldspel een honkslag in het verre veld is, dan is Skippy een homerun, wil ik maar zeggen.








%d bloggers liken dit: